Inspuitsysteem maakte de Sebring onbetrouwbaar
Ook in Italië kunnen ze van een ‘grote drie’ of liever snelle drie spreken: Ferrari, Maserati en Lamborghini. Maserati kan zich hierbij beroepen op de langste geschiedenis. Al in 1926 bouwden de vier gebroeders Maserati hun eerste racewagen.
De gebroeders leidden echter met de racewagens alleen maar verlies. Ze verdienden er geen rooie cent aan. Na elf jaar verkochten ze hun bedrijf dan ook aan Omar Orsi. De volgende eigenaar was Citroën, toen De Tomaso en op dit ogenblik Fiat.
Maserati A6 & A6G
In 1946 kwam Maserati met zijn eerste ‘personenwagen’ uit. Sportief was hij natuurlijk wel, want de motor was niet veel anders dan de zescilinder met twee bovenliggende nokkenassen die ze in 1936 al in de 6 CM racewagen gebruikten. De Maserati A6 behaalde een topsnelheid van 150 kilometer per uur tot 170 kilometer per uur. De carrozzeria stortten zich op het chassis en vooral Pinin Farina en Zagato zorgden voor hun mooiste creaties van staal of aluminium op een buizenchassis. De Maserati A6 werd geleverd als coupé en cabriolet en uit de oorspronkelijke Maserati A6 1500 groeide de Maserati A6G 2000. Van de Maserati A6 maakten ze van 1946 tot 1951 circa 60 exemplaren. Van de Maserati A6G 2000 bouwden ze van 1951 tot 1953 ruim 75 stuks. Zestien wagens van het type A6G 2000 hadden een motor met maar één bovenliggende nokkenas. De Maserati A6G 2000 behoort inmiddels tot de meest gezochte auto’s.
Maserati 3500 GT & GTI
De 3500 GT was de eerste Maserati die ze werkelijk in ‘grote’ aantallen bouwden; de deze behaalde het record van 1.981 stuks van 1958 tot 1964. Van de Maserati 3500 GTI bouwde Maserati van 1961 tot 1964 ruim 240 auto’s. Carrozzeria Touring maakte de coupés van de 2+2 uit aluminium plaat terwijl Vignale de cabriolets uit staal leverde. De motor had natuurlijk weer twee bovenliggende nokkenassen en nu drie dubbele Weber carburateurs of, bij de laatste modellen, een benzine-inspuitsysteem van Lucas. De vier- en latere vijfbak waren volledig gesynchroniseerd. In 1964 kwam er een automaat als optie. De maximale snelheid liep hierdoor op tot 230 kilometer per uur. De trommelremmen evolueerden naar schijfremmen. Maserati leverde dit model eveneens als coupé en cabriolet.
Maserati Sebring I & II
Op het korte chassis van de 3500 GTI cabriolet verscheen in 1962 een waardige opvolger voor de 3500 GT, de Sebring. Deze door Vignale gebouwde coupé had dezelfde motor als de 3500 GTI, maar al gauw verscheen ervan een 3,7 liter versie. Alle Sebring-motoren hadden het inspuitsysteem van Lucas. Maar dit bleek vrij onbetrouwbaar te zijn. Veel auto’s bouwden men daarom om met Weber carburateurs. De Series II van na 1965 had naar wens een vierliter motor onder de kap. De spaakwielen waren hierbij extra. De Sebring behaalde een topsnelheid van 245 kilometer per uur en werd uitsluitend geleverd als coupé. Van de Sebring I maakte Maserati van 1962 tot 1965 bijna 350 exemplaren en van de Sebring II vonden 98 stuks de weg naar een nieuwe eigenaar.
Maserati Mistral
Na de Sebring kwam de Mistral die men zowel met de oorspronkelijke 3,5 liter motor, met de 3,7 liter motor als met een grotere vierliter kon bestellen. De carrosserie viel op door de grote achterruit die eveneens als derde deur dienst deed. De carrosserie was een ontwerp van Frua en de firma Maggiora bouwde de carrosserieën, over het algemeen van staal maar ook van aluminium. De Mistral was in tegenstelling tot de 3500 GT en de Sebring geen 2+2 maar een echte twoseater. In 1964 verscheen er een cabrioletuitvoering op de show in Genève. De Maserati Mistral behaalde de maximale snelheid van 260 kilometer per uur. Van 1963 tot 1970 maakte men ervan ruim 1.000 stuks.






